Van vredesdividend naar oorlogseconomische schok
Dertig jaar lang verlaagden de meeste Europese regeringen hun defensie-uitgaven en behandelden veiligheid als een dienst geleverd door Amerika. Ruslands invasie van Oekraïne, oplopende spanningen met China en gesprekken over Amerikaanse terugtrekking hebben die comfortzone verbrijzeld.
Een rapport onder leiding van Frans parlementslid Jean‑Louis Thiériot stelt het zonder omwegen: Europa kan niet langer teren op het "vredesdividend" terwijl het zijn industriële ruggengraat uitbesteedt aan de VS.
Grenzen van de Amerikaanse paraplu
Europa bouwt ofwel zijn eigen defensietechnologische kampioenen op, ofwel accepteert het dat Amerikaanse software- en databedrijven zijn militaire kracht ondersteunen.
Namen zoals Anduril en Palantir kristalliseren het dilemma. Ze tonen hoe moderne defensie evenzeer rust op code, sensoren en datafusie als op tanks en gevechtsvliegtuigen. Veel van die kerncompetenties komen vandaag van Amerikaanse bedrijven, onderworpen aan Amerikaanse wetgeving en politieke druk.
Het rapport belicht verschillende samenvloeiende trends die blind vertrouwen in de Amerikaanse veiligheidsgarantie verzwakken:
- Defensiebudgetten in Europa stijgen eindelijk, maar blijven nog ver achter bij de Amerikaanse inspanning.
- Washington wil dat Europeanen meer van de NAVO-last dragen.
- De strategische focus van de VS verschuift richting de Indo-Pacifische regio.
- De mogelijkheid van een nieuw Trump-presidentschap roept twijfels op over langetermijnbetrouwbaarheid.
Waarom de logica van de "interne markt" faalt bij defensie
Een van de scherpste argumenten richt zich op een Brusselse reflex: defensie behandelen als elke andere industriële sector die geliberaliseerd moet worden.
Thiériot benadrukt een fundamentele waarheid die veel EU-documenten omzeilen: defensie is geen telecom, luchtvaart of landbouw. Het gaat om het vermogen oorlog te voeren en af te schrikken, en te overleven als afschrikking mislukt.
De gebruikelijke instrumenten van de interne markt – open aanbestedingen, strikte mededingingsregels, gelijke behandeling van alle bieders – botsen met de manier waarop staten denken over soevereiniteit, geheimhouding en exportcontroles. Regeringen willen weten waar kritieke technologieën worden gemaakt, wie ze controleert en of een buitenlands kapitaal ze kan uitschakelen.
Defensie buiten puur technocratische handen houden
Een andere breuklijn ligt tussen gekozen leiders en EU-technocraten. De Commissie heeft krachtige instrumenten op het gebied van mededingingsbeleid, industriële regulering en groene financiering. Die instrumenten werden ontworpen voor normale markten, niet voor oorlogsplanning.
Het rapport waarschuwt ervoor Brussel defensie te laten sturen via de achterdeur, met gebruikmaking van ESG-regels, staatssteunbeslissingen of industriebeleid als hefbomen, zonder duidelijke politieke sturing vanuit lidstaten.
Vragen zoals "wie zijn onze voornaamste dreigingen?" of "welke capaciteiten zijn het belangrijkst?" zijn politieke keuzes, geen boekhoudkundige oefeningen.
Het ontbrekende puzzelstuk: het Verenigd Koninkrijk
Brexit vernietigde institutionele banden, maar het VK is nog steeds een van Europa's enige volledig-spectrum militaire machten, met een sterke defensie-industrie en nucleaire afschrikking. Het rapport onderstreept dat een industriële defensiestrategie die Groot-Brittannië buitensluit zelfbeperkend is.
Pragmatische samenwerking op programma's, onderzoek en ontwikkeling en aanbestedingen – zelfs buiten strikte EU-structuren – zou Europa meer schaal en geloofwaardigheid geven. Londen negeren uit institutionele trots zou een strategisch eigen doelpunt zijn.
Financieren van een oorlogsklare industriële basis
De tekst wordt bijzonder concreet wanneer het om geld gaat. Je kunt niet praten over "oorlogseconomische modus" terwijl de financiële sector defensiebedrijven stilletjes van kapitaal verstoken laat.
Het afgelopen decennium heeft een rigide interpretatie van ESG-normen veel Europese banken, verzekeraars en fondsen ertoe gebracht defensieaandelen op de zwarte lijst te zetten, ze te behandelen als tabak of fossiele brandstoffen. Dat mag sommige aandeelhouders plezieren, maar creëert een strategische blinde vlek.
Als democratische staten beslissen dat ze een sterkere defensie-industrie nodig hebben, dan is die industrie als "onbelegbaar" bestempelen een vorm van strategische incoherentie.
Kortere cycli, minder labels, meer uitrusting
Moderne oorlog beweegt snel. Drones, AI en elektronische oorlogvoeringstools worden op het veld getest en aangepast in maanden, niet decennia. Europa's aanbestedingscultuur werkt vaak nog volgens een vredestijdklok.
Het rapport betoogt dat echt denken in termen van "oorlogseconomie" minder obsessie met glimmende nieuwe EU-fondsen en incubators betekent, en meer focus op het versnellen van het traject van lab naar slagveld. Dat betekent enkele mislukkingen accepteren, prototypes financieren die nooit in dienst treden, en jonge bedrijven een kans geven echte eenheden te bevoorraden, niet alleen te demonstreren op handelsbeurzen.
Franse balanceeract binnen de Europese puzzel
Voor Frankrijk, vaak afgeschilderd als drijvende kracht achter "Europese defensie", fungeert het rapport als spiegel. Parijs wil vier dingen tegelijk zijn: kampioen van EU-defensie-integratie, industrieel leider in verschillende sectoren, betrouwbare NAVO-bondgenoot en agressieve exporteur van wapens.
Die ambities kunnen botsen. Europese kampioenen voorrang geven kan pijnlijke compromissen betekenen op nationaal industrieel rendement. NAVO-interoperabiliteit maximaliseren kan leiden tot het kopen of kopiëren van Amerikaanse normen. Exportbevordering wekt soms beschuldigingen van dubbele standaarden op mensenrechtengebied.
Het rapport doet niet alsof er een nette manier is om elk doel te verzoenen; het dwingt politici te zeggen welke afwegingen ze accepteren.
Industriële defensiestrategie in het publieke debat brengen
Een rode draad door het rapport is de noodzaak defensie-industriebeleid te behandelen als democratische keuze, niet als niche voor ingewijden. Termen zoals "capaciteitenroutekaart", "soevereiniteit" of "strategische autonomie" verhullen concrete vragen: wiens troepen krijgen betrouwbare uitrusting, wiens fabrieken draaien op volle toeren, wiens technologieën het slagveld vormgeven.
Door EDIS te ontleden, vraagt Thiériot eigenlijk: wat voor soort militaire actor wil Europa zijn rond 2035–2040, en hoe zal het die rol decennia lang betalen? Het antwoord doet ertoe, of de VS nu volledig betrokken blijft, crises zich vermenigvuldigen, of oorlog oncomfortabel dichtbij EU-grenzen blijft.
Kernconcepten die het debat vormgeven
Enkele termen zitten in de kern van deze opkomende strategie en zijn het uitpakken waard:
- Strategische autonomie: Geen totale onafhankelijkheid, maar het vermogen militair te handelen wanneer vitale belangen op het spel staan, zelfs als belangrijke bondgenoten het oneens zijn of afgeleid zijn.
- Oorlogseconomie: Een houding waarbij toeleveringsketens, regelgeving en financiën worden aangepast om langdurig hoogintensief conflict te dragen, in plaats van vredestijdvoorraden en bureaucratie.
- Nieuwe defensie: De golf van kleinere, vaak dual-use technologiebedrijven die werken aan AI, robotica, cyber, ruimte of geavanceerde sensoren die kunnen transformeren hoe strijdkrachten opereren.
Een toekomstige crisis voorstellen helpt de inzet te tonen. Stel je een langdurige confrontatie voor aan de oostelijke flank van de NAVO, met Amerikaanse troepen zwaar ingezet in Azië tegelijkertijd. Als Europese legers afhankelijk zijn van geïmporteerde munitie, buitenlandse cloudinfrastructuur en data-analyse gehost onder de wetgeving van een ander land, krimpt hun manoeuvreerruimte snel.
Aan de andere kant brengt een robuustere Europese industriële basis eigen risico's met zich mee: druk om ruimer te exporteren om fabrieken draaiende te houden, concurrentie tussen EU-leden om banen en contracten, en moeilijke debatten over welke regimes toegang moeten hebben tot geavanceerde systemen.
Die spanningen zullen niet verdwijnen. Een echte Europese industriële defensiestrategie zou ze niet elimineren, maar zou de keuzes expliciet kunnen maken, prioriteiten stellen en investeerders, ingenieurs en soldaten een helderder perspectief bieden dan de lappendeken van slogans waarmee ze vandaag worden geconfronteerd.










